Toeluister


Er was eens een man Toeluisterdan. En er was eens een vrouw Toeluisternou (nee dit is dat verhaaltje niet, en die heer was er ook niet). En die man Toeluisterdan en die vrouw Toeluisternou maakten op een gegeven moment kennis met elkaar en werden verliefd. En net zoals het versje zegt. Verliefd, verloofd, getrouwd, en in die laatste toestand werden ze heel gelukkig toen ze eenmaal een huisje gevonden hadden (waar nog wel een jaar of twee overheen ging).

Na een krap jaartje (ze zaten erg krap, dat jaartje), werd een jongetje geboren, dat ze Vetertje noemden (zomaar). Een jaar daarna kreeg deze knul een zusje, dat Lieverdje genoemd werd (ook zomaar). Nog een jaar later kwam er weer een spruit bij, die ze maar Meisje noemden, omdat ze geen originele namen konden verzinnen. Na haar kwam er, weer een jaar later, een potig knaapje uit moeders buik, dat vanwege zijn geslacht maar het etiket Jongen kreeg opgespeld. Zo gingen ze nog jaren door met kinderen fokken, die opgescheept werden met triviale namen als Jan, Piet, Keessie, Annetje, Marietje etcetera. Is het eigenlijk geen schande dat wij ons hele leven gebukt moeten gaan onder een naam die onze ouders in een zwak moment voor ons verzonnen (nou ja, verzonnen) hebben? Daar moet ik het een andere keer toch eens over hebben.

Om nu verder te gaan met ons verhaal: helaas, toen de eerste kinderen zo'n beetje opgegroeid waren (of heetten te zijn) kwamen hun ouders te overlijden. Vetertje (nu Veter) was toen volwassen, Lieverdje (nu een echte Lieverd of Liefje) op één jaar na volwassen, Meisje (nu Meis, tenminste voor mensen die het niet zo nauw namen met de Nederlandse taal) op twee jaar na volwassen, Jongetje (nu Jongen, dit gold weer voor iedereen) op drie jaar na volwassen en ga zo maar door (nog een minuut lang, schat ik). Nu is het natuurlijk nog maar de vraag wat volwassen is om te kunnen zeggen toen dat gebeurde was hij volwassen en was de ander nog niet volwassen, feit is in elk geval dat Toeluisterdan en -nou doodgingen.

Dat was me een begrafenisstoet; achter een dubbele lijkkist, formaat twijfelaar, schreden zo'n zestien kinders van de overledenen twee aan twee en daarachter kwam de rest (vooraan de stoet ging natuurlijk de kapelaan met zijn misboys). Na de begrafenis en de na een begrafenis gebruikelijke confrontatie met sympathieke nichtjes, geniepige kwajongensstreken uithalende neefjes, zure ooms en pinnige tantes werden de vijftien jongsten naar het weeshuis naar bed gestuurd, omdat zij nog niet meerderjarig waren- want je bent pas meerderjarig als je volwassen bent. De zestiende en oudste, Veter, moest in dienst omdat hij wél meerderjarig was en dientengevolge waren ze geen van allen beschikbaar voor een interview met de nabestaanden, want in het weeshuis mag je niet met vreemde heren en dames praten behalve met de leid(st)ers en de directie en de vreemde heren en dames waarvan zij vinden dat je eens even met hun moet praten, en in het leger heb je daar geen tijd voor. Natuurlijk, we zouden met een oom of tante kunnen gaan praten, maar dat zijn slechts achtergebleven familie.

Maar na een jaar kwam Lieverd, volwassen geworden, vrij. Zij werd helaas al gauw ingepikt door een blondgekuifde jongeling van vier jaar ouder. In tegenstelling tot Lieverds ouders deden zij wel aan geboortebeperking. Het Liefje schonk haar echtgenoot slechts twee stuks nakomeling (de buitenechtelijke kinderen niet meegerekend).

De rest van de Toeluisterdans kwam jammerlijk om, zij gingen stuk voor stuk kapot aan de herinneringen die zij aan hun ouders, en de frustraties die zij aan weeshuis en/of de militaire gedienstigheid hadden overgehouden. Het Liefje ontsprong deze dans, doordat zij tijdig werd ingepikt.

Maar een vrouw telt nog steeds niet als stamhouder, en zo ging het geslacht Toeluister teloor.