Twee mensen


A zit aan een tafeltje. Van tijd tot tijd staat hij op, loopt weg, maar keert telkens terug. Hij (zucht en) blijft zitten.
B komt op, al spelend met een imaginaire bal. Na enige tijd verdwijnt deze in het publiek. B komt bij A zitten.
A begint te grijnzen, pakt met de ene hand een imaginair kop-en-schotel op bij het schoteltje, met de andere hand het kopje van het schoteltje en drinkt, zet beide neer en houdt op met grijnzen. B volgt vrijwel tegeijkertijd zijn voorbeeld. Met tussenpozen herhaalt A dit twee keer.
A
Ach ja, vroeger...
B
Ja, vroeger...
Ook dit herhaalt zich met tussenpozen, op diverse manieren (verzuchtend, stellend, verveeld, etc.).
B
Herinner jij je dat huis tegenover ons nog? Dat verfden ze elk jaar opnieuw wit.
A
Ze verkochten daar altijd ijs in de zomer.
B
Je kon de gevelsteen nog zien zitten, al was die net zo egaal wt als de rest. "Annie" heette het huis.
A
Eerst hadden ze een vlag als reclamebord, later zo'n zwiebelend plastic uithangding met een TL of neonbuis er in.
B
En een rood gespoten hek hadden ze, met een plaatje van de gieterij als één van de versieringsornamenten. Of was het groen?
Een smeedijzeren hek, waar we ik weet niet hoe vaak doorheen zijn gegaan om ijs te halen.
A
Elke zaterdag, als we ons zakgeld kregen. Een kwartje in de week.
B
Dat kregen we ook pas de tweede zomer dat ze daar ijs verkochten.
A
Eerst was het nog een dubbeltje.
...
A
Ik haal de theepot nog eens.
B
Nee, doe geen moeite. Ik moet er weer vandoor, de plicht roept. 't Was erg gezellig. Tot de volgende keer.
A
Ja.
B gaat weg. A blijft zitten, herhaalt het ritueel uit de vorige scene, ditmaal in z'n eentje.
B op.
B
Ik kwam even afscheid nemen.
A
O!
Ga je weg?
B
Ja.
A
Waarheen?
B
Naar elders, waar het leven mij meer toelacht.
A
Lachen is gezond.
B
Daarom dus. Lacht het leven, dan kan dat alleen maar gezond zijn. En lacht het mij toe, nou des te beter.
A
Ja.
Goed gevonden, die opmerking. Goed doordacht ook.
B
Bedacht voor ik hierheen kwam. Als een soort kadootje. Een leuke opmerking bij het afscheid.
A
Je gaat dus weg.
B
Ja.
A
Weet je nog van vroeger?
B
Ja. Maar die tijd is voorbij en komt niet weer.
A
Wat zeg je dat mooi. Wat een mooi afscheid is dit toch.
Kom je terug?
B
Ik ga waar het leven me toelacht.
A
O.
Kijk, ik lach je toe.
(lacht)
B
Ja, leuk. Aardig van je. Het is belangrijk, een aardig afscheid.
A
Ja.
B
Nou, dan ga ik maar. Dag!
A
Ja, dag!
B af.
A begint het toneel en al wat daarop is kort en klein te slaan. Hij wordt hierin gestoord door twee toneelknechten die hem op een stoel vastbinden.
C
Zo. Nu kan je niet meer weg.
A
Nee, nu kan ik helemaal niet meer weg.

22 juni 1978 Albert Visser